LES 2

Ik heb alles wat ik in deze kamer [in deze straat, uit dit raam, op deze plek] zie alle betekenis gegeven die het voor mij heeft.

De oefeningen met dit idee zijn dezelfde als die voor het eerste. Begin met de dingen die dichtbij je zijn en pas het idee toe op alles waar je blik op rust. Breid dan je blikveld uit. Draai je hoofd zo, dat je alles aan weerskanten erbij insluit. Draai je indien mogelijk om en pas het idee toe op wat achter je was. Blijf zo willekeurig mogelijk bij het kiezen van onderwerpen waarop je de oefening toepast, concentreer je niet op iets in het bijzonder en probeer niet om alles wat je op een bepaalde plek ziet erbij te betrekken, anders roep je spanning op.

Kijk slechts moeiteloos en tamelijk snel om je heen en probeer een keuze in grootte, helderheid, kleur, materiaal of betrekkelijk belang voor jou te vermijden. Neem de voorwerpen gewoon zoals je ze ziet. Probeer de oefening met gelijk gemak toe te passen op een lichaam of een knoop, een vlieg of een vloer, een arm of een appel. Het enige criterium om het idee op iets toe te passen is louter dat je oog erop valt. Doe geen moeite iets in het bijzonder erbij in te sluiten, maar zorg ervoor dat niets uitdrukkelijk wordt uitgesloten.