De dood is een gedachte die vele vormen aanneemt, vaak niet als zodanig herkend. Ze kan verschijnen als droefheid, angst, verontrusting of twijfel, als woede, ongelovigheid en gebrek aan vertrouwen, als bekommernis om lichamen, afgunst, en als alle vormen waarin de wens te zijn wat jij niet bent, jou kan komen verleiden. Al zulke gedachten zijn slechts de weer­spiegeling van de aanbidding van de dood als verlosser en schenker van bevrijding.

Als belichaming van de angst, als gastheer van de zonde, als de god van de schuldigen en de heer van alle illusies en misleidingen, lijkt het idee van de dood machtig inderdaad. Want hij houdt schijnbaar alles wat leeft in zijn verdorde hand, alle hoopvolle verwachtingen en wensen in zijn verwoestende greep, en alle doelen worden slechts gezien door zijn nietsziende ogen. De gebrekkigen, de hulpelozen en de zieken buigen zich voor zijn beeltenis neer en denken dat hij alleen werkelijk is, onontkoombaar, hun vertrouwen waard. Want hij alleen zal zeker komen.

Alle dingen behalve de dood worden als onzeker beschouwd, als te snel verloren hoe moeilijk ze ook verworven werden, als onzeker in hun afloop, geneigd de hoop die ze eens wekten onvervuld te laten, en de smaak van stof en as in hun kielzog achterlatend, in plaats van aspiraties en van dro­men. Maar op de dood wordt gerekend. Want hij zal met vaste tred ko­men wanneer de tijd voor zijn komst is aangebroken. Hij zal nooit nalaten alle leven als gijzelaar te nemen voor zichzelf.

Zou jij voor afgoden zoals deze willen buigen? Hier wordt de kracht en macht van God Zelf gezien in een afgod gemaakt van stof. Hier wordt de tegenpool van God uitgeroepen tot heer van heel de schepping, sterker dan Gods Wil ten leven, de oneindigheid van de liefde en de volmaakte, onveranderlijke bestendigheid van de Hemel. Hier wordt de Wil van de Vader en de Zoon uiteindelijk verslagen en onder de grafsteen ter ruste ge­legd die de dood geplaatst heeft op het lichaam van de heilige Zoon van God.

Onheilig in de nederlaag, is hij geworden tot wat de dood wilde dat hij was. Zijn grafschrift, door de dood zelf geschreven, geeft hem geen naam, want hij is tot stof vergaan. Het luidt alleen: ‘Hier ligt een getuige voor de dood van God.’ En dit schrijft de dood telkens en telkens weer terwijl zijn aanbidders almaar instemmen, en neerknielend fluisteren ze, met hun voorhoofd op de grond, vol angst dat dit zo is.

Het is onmogelijk de dood in enige vorm te aanbidden en tegelijk er en­kele andere uit te kiezen die je niet koesteren maar juist vermijden wilt, ter­wijl jij nog steeds in de rest gelooft. Want de dood is totaal. Ofwel alle dingen sterven, of anders leven ze en kunnen niet sterven. Er is geen com­promis mogelijk. Want hier zien we weer een onmiskenbaar standpunt dat we moeten accepteren, willen we innerlijk gezond zijn: wat één ge­dachte totaal tegenspreekt kan niet waar zijn, tenzij bewezen is dat het te­gendeel onwaar is.

Het idee van de dood van God is zo absurd dat zelfs waanzinnigen moei­te hebben het te geloven. Want het houdt in dat God eens levend was en op de een of andere manier omkwam, blijkbaar gedood door hen die niet wilden dat Hij bleef leven. Hun sterkere wil kon over de Zijne triomferen, en zo is het eeuwige leven bezweken voor de dood. En met de Vader stierf eveneens de Zoon.

De aanbidders van de dood zijn bang misschien. En toch, kunnen ge­dachten als deze angstaanjagend zijn? Als ze zagen dat wat ze geloven niets anders is dan dit, zouden ze onmiddellijk zijn bevrijd. En jij toont hun dit vandaag. Er is geen dood en wij verwerpen die nu in iedere vorm, omwille van hun verlossing alsook de onze. God heeft de dood niet ge­maakt. Daarom moet hij, welke vorm hij ook aanneemt, een illusie zijn. Dit is het standpunt dat we vandaag innemen. En het is ons gegeven voorbij de dood te kijken en het leven erachter te zien.

Onze Vader, zegen onze ogen vandaag. Wij zijn Uw boodschappers en we willen naar de schitterende weerspiegeling van Uw Liefde kijken die in alles straalt. Wij leven en bewegen in U alleen. Wij zijn niet gescheiden van Uw eeuwige leven. Er is geen dood, want dood is niet Uw Wil. En wij vertoeven waar U ons hebt ge­plaatst, in het leven dat wij delen met U en met al wat leeft, om voor eeuwig zoals U en deel van U te zijn. Wij aanvaarden Uw Gedachten als de onze, en onze wil is eeuwig één met die van U. Amen.